| Conclusies |
|
|
| donderdag 2 februari 2012 | |
EindbeoordelingEind 2007 liep het tweede medezeggenschapsconvenant af. Daarmee werd een periode van negen en een half jaar convenanten afgesloten. Door de beide convenanten van 1998 en 2003 is ongetwijfeld in een aantal pensioenfondsen de medezeggenschapspositie van de gepensioneerden versterkt, hetzij door het ontstaan van deelnemersraden, hetzij door vertegenwoordiging in het bestuur. Het is evenwel onjuist de uitkomsten van deze fase van zelfregulering automatisch als eindresultaat te beschouwen nu deze uitkomsten in de Pensioenwet zijn vastgelegd. In de periode van de convenanten ontstond een ongelijkheid tussen gepensioneerden die wel en gepensioneerden die niet in het bestuur van hun fonds zijn vertegenwoordigd. Het is daarom wenselijk dat de wetgever na het tijdperk van zelfregulering een eigen onafhankelijke afweging maakt voor de op dit gebied vereiste wetgeving. Speciaal behoort dan getoetst te worden op rechtsgelijkheid tussen enerzijds gepensioneerden en werknemers en anderzijds tussen gepensioneerden onderling. Tevens dient bedacht te worden dat de rechten op medebestuur voor de werknemers en voor de werkgevers ook niet door zelfregulering zijn ontstaan. Deze rechten zijn door de wetgever op grond van een eigen afweging in de pensioenwetgeving opgenomen. De strekking van het tweede medezeggenschapsconvenant is uiteindelijk in de Pensioenwet opgenomen op verzoek van de Stichting van de Arbeid en CSO (ouderenorganisaties). Daardoor kregen de gepensioneerden van vele ondernemingspensioenfondsen wettelijk de mogelijkheid voor vertegenwoordiging in het fondsbestuur te kiezen. Maar dit keuzerecht geldt niet voor alle ondernemingspensioenfondsen en de keuze is niet in alle gevallen waarin wel gekozen mag worden, bindend. De gepensioneerden van de bedrijfstakpensioenfondsen kregen volgens het convenant en de Pensioenwet in het geheel geen mogelijkheid om voor vertegenwoordiging in de fondsbesturen te kiezen. En bij deze fondsen is juist de overgrote meerderheid van de gepensioneerden in ons land aangesloten. Uit de eindevaluatie van het tweede medezeggenschapsconvenant bleek dat van alle gepensioneerden van ondernemings- en bedrijfstakpensioenfondsen tezamen 70% niet is vertegenwoordigd in de besturen van hun fondsen. Voor hen blijft de rechtsongelijkheid ten opzichte van de werknemers geheel bestaan. Voorts geeft dit een belangrijk verschil in rechtspositie tussen de gepensioneerden van de verschillende pensioenfondsen. Hier komt nog bij dat de gepensioneerden van zowel de ondernemingspensioenfondsen als van de bedrijfstakpensioenfondsen niet, zoals de werknemers, tegelijkertijd mogen kiezen voor vertegenwoordiging in het fondsbestuur én in een deelnemersraad. Om deze onrechtvaardigheden weg te nemen is verdergaande wetgeving nodig. Hierin wordt voorzien door het in de Eerste Kamer aangenomen initiatiefwetsvoorstel Koser Kaya / Blok (zie hoofdstuk Initiatiefwetsvoorstel). De parlementaire behandeling hiervan heeft evenwel ernstige vertraging ondergaan. Nu dit een voldongen feit is geworden, is er op zichzelf geen bezwaar meer tegen om de strekking van het initiatiefvoorstel te integreren in het regeringsvoorstel voor de algehele herziening van de bestuursstructuur (wetsvoorstel Versterking bestuur pensioenfondsen; zie hoofdstuk Pensioenwet, pagina Ontwikkelingen). Maar de strekking van het initiatiefvoorstel behoort dan wel nauwkeurig opgenomen te worden in het regeringswetsvoorstel. Dit geldt met name voor de criteria voor de verdeling van bestuurszetels tussen werkgevers, werknemers en gepensioneerden en de mogelijkheid om per pensioenfonds hierover aangepaste afspraken te maken (regelend recht). Voorts mag dat nu niet meer tot verdere vertraging leiden. Terecht zal daarom de wet Koser Kaya / Blok op 1 januari 2013 inwerking treden als het onmogelijk blijkt te zijn om de parlementaire behandeling van het regeringsvoorstel voor die datum te voltooien. |
